Het moment waarop ik van het Xaloc-kwintet het verzoek kreeg om een blaaskwintet te schrijven (september 2005) was ik somber gestemd over de plaats van klassieke muziek in het algemeen en die van 20e eeuwse muziek in het bijzonder. De concertbrochures doorlezend versterkte mijn somberheid. Gedachten over opgeheven-, gefuseerde of afgeknepen orkesten, subsidies die op de tocht staan, maar eigenlijk het meest nog over het feit dat de mensheid elkaar liever de hersenpan inslaat dan dat ze in dezelfde tijd (met dezelfde hoeveelheid geld) willen investeren in mooie dingen. Zoals kunst bijvoorbeeld. Kunst en componist blijkt Don- Quichote te zijn die het onpraktische en idealistische naloopt. Dit bracht mij op het idee om een hommage aan de 20e eeuwse componist te schrijven in drie delen waarbij het eerste deel een klein Requiem is (Choral), het tweede de Betovering (Fugue) en het derde een Nieuw begin (Prelude): eerst moet iets dood zijn voordat er weer ruimte is voor betovering en nieuwe schoonheid….zoiets. De melodieën van de compositie zijn bijna helemaal opgebouwd uit namen van 20e eeuwse componisten. De ‘vormen’ die van de eeuwen daarvoor; gebruikt als ‘aanleiding’ als ‘vertrekpunt’, maar ook om duidelijk te maken dat het heden en verleden in wezen hetzelfde is.
Iets anders wat voor mij persoonlijk belangrijk is geweest bij het schrijven van dit stuk is het controleren van verschillende soorten harmonische samenstellingen en progressies, zowel op microniveau, als ook ten aanzien van de totaalvorm. Iets wat een vervolg is van wat ik in eerdere werken heb gedaan, zoals Langs de Randen van de Nacht (2004/05) of mijn meest recente compositie Six: A line is a dot that went for a walk (2006).
De gebruikte teksten
Nederlandse vertaling
I. Choral
Como las cosas humanas no sean eternas,
yendo siempre en declinación de sus
principios hasta llegar a su último fin,
especialmente las vidas de los hombres,
y como la de Don Quijote no tuviese
privilegio del cielo para detener el curso
de la suya, llegó su fin y acabamiento
cuando él menos lo pensaba;……..
En fin, llégo el último de don Quijote,
después de recebidos todos
los sacramentos y después de haber
abominando con muchas y eficaces
razones de los libros de caballerías.
Hallóse el escribano presente,
y dijo que nunca habiá leído en
ningún libro de caballerías que algún
caballero andante hubiese muerto en su
lecho tan sosegadamente y tan cristiano
como don Quijote; el cual, entre compasiones
y lágrimas de los que allí se hallaron,
dio su espíritu, quiero decir que se murió.
II. Fugue
Sancho! Todo esta encantado
III. Prelude
Aquí dio un gran suspiro don Quijote,
y dijo: ‘Yo no podré afirmar si la dulce
mi enemiga gusta, o no,
de que el mundo sepa que yo la sirvo;
sólo sé decir, respondiendo a lo que
con tanto comedimiento se me pide,
que su nombre es Dulcinea; su patria,
el Toboso, un lugar de la Mancha;
su calidad, por los menos, ha de ser
de princesa, pues es reina y señora mía;
su hermosura, sobrehumana,
pues en ella se vienen
a hacer verdaderos todos
los imposibles y quiméricos atributos
de belleza que los poetas
dan a sus damas: que sus cabellos son oro,
su frente campos elíseos,
sus cejas arcos del cielo,
sus ojos soles, sus mejillas rosas,
sus labios corales, perlas sus dientes,
alabastro su cuello, mármol su pecho,
marfil sus manos, su blancura nieve,
y las partes que a la vista humana
encubrió la honestidad son tales,
según yo pienso y entiendo,
que sólo la discreta consideración puede encarecerlas, y no compararlas.’