WAHNBROT (2008)

SECHS CHORSTUCKE NACH PAUL CELAN

SATB

Score

 

Live recording. Haags Ad Hoc. Conductor Patrick Pranger
In de latere gedichten van Paul Celan (1920-1970) is geen plaats voor hoop, liefde laat staan geloof. De wereld na Auschwitz zag er door de ogen van Celan aangevreten uit. De Europese beschaving was, wat hem betreft, weer terug bij nul, of misschien zelfs onder nul. Voor zijn dichterschap betekende dit dat hij de besmette Duitse taal van een gewezen beschaving niet meer wilde gebruiken zoals deze gebruikt werd. Celan moest de taal opnieuw uitvinden. Dit resulteert in een uiterst persoonlijk geformuleerde dichtkunst. Hermetisch door autobiografische observaties die vaak moeilijk te duiden zijn zonder aanwijzingen van Celan zelf.  Als buitenstaander is het moeilijk om daar in door te dringen. Toch zijn de beelden die Celan oproept door middel van nieuwe woorden en zinnen vol tegenstellingen enorm sterk en evocatief.  Een enkel woord krijgt bij Celan het gewicht van een heel verhaal. Naarmate ik meer gedichten van Celan gelezen had kreeg ik bovendien het gevoel dat de taal van Celan bestaat uit een heel eigen netwerk van woorden die door voortdurend variërend hergebruik in verschillende gedichten hun betekenis blootgeven. Voor mijn zesdelige Celan-cyclus “Wahnbrot”  was het vooral dit gegeven dat me zo enorm aansprak: een (in mijn geval muzikale) taal die zich gedurende de cyclus als het ware ontvouwt en een netwerk van verwijzingen wordt. Verwijzingen naar gebeurtenissen binnen de cyclus, maar soms ook naar elementen uit onze muziektraditie.  De melodieÎn en akkoorden die in de zes koor-liederen worden gebruikt zijn op één hand te tellen. Maar zoals met het variërend hergebruiken van woorden door Celan, zijn ze niet persé direct herkenbaar. Samen vormen deze melodieÎn en akkoorden een web van verwijzingen.

I. Psalm

Niemand knetet uns wieder aus Erde und Lehm,

niemand bespricht unsern

Staub.

Niemand.

Gelobt seist du, Niemand.

Dir zulieb wollen

wir blühn.

Dir

entgegen.

Ein Nichts

waren wir, sind wir, werden

wir bleiben, blühend:

die Nichts-, die

Niemandrose.

Mit

dem Griffel seelenhell,

dem Staubfaden himmelwüst,

der Krone rot

vom Purpurwort, das wir sangen

über, o über

dem Dorn.

 

II. Ich höre, die Axt hat geblüht

Ich höre, die Axt hat geblüht,

ich höre, der Ort ist nicht nennbar,

ich höre, das Brot, das ihn ansieht,

heilt den erhängten,

das Brot, das ihm die Frau buk,

ich höre, sie nennen das Leben

die einzige Zuflucht.

 

III. Schneepart

Schneepart, gebäumt, bis

zuletzt,

im Aufwind, vor

den für immer entfensterten

Hütten:

Flauchträume schirken

übers

geriffelte Eis:

die Wortschatten

heraushaun, sie klaftern

rings um den Krampen

im Kolk.

 

IV. Feldmaus

Mit der Stimme der Feldmaus

quiekst du herauf,

eine scharfe

Klammer,

beißt du dich mir durchs Hemd und Haut,

ein Tuch,

gleitest du mir auf dem Mund,

mitten in meiner

dich Schatten beschwerende

Rede.

 

V. Das angebrochene Jahr

Das angebrochene Jahr

mit dem modernden Kanten

Wahnbrot

Trink

aus meinem Mund.

 

VI. Unlesbarkeit

Unlesbarkeit dieser

Welt. Alles doppelt.

Die starken Uhren

geben der Spaltstunde recht,

heiser.

Du, in dein Tiefstes geklemmt,

entsteigt dir

für immer.